Home   Research   Facultair beleid   Notities faculteit der rechtsgeleerdheid   Bewaking kwaliteit juridisch onderzoek

Bewaking kwaliteit juridisch onderzoek

[met ingang van 1 januari 2007]

Inhoud:
1. Inleiding
2. Wat is een wetenschappelijke publicatie?
2.1. Het inhoudelijke aspect
2.2. Het procedurele aspect: checks and balances
3. Een verfijning van het puntensysteem
3.1. Inleiding
3.2. De waardering van afzonderlijke publicaties
3.3. De norm per medewerker
3.4. Inwerkingtreding herzien puntensysteem

Deze tekst is ook beschikbaar als pdf.

1. Inleiding
In deze notitie worden twee belangrijke onderwerpen uitgewerkt op het gebied van de beoordeling van het facultaire onderzoek. In de eerste plaats geeft deze notitie een antwoord op de vragen: wat is een wetenschappelijke publicatie en wie stelt dat vast?

In de tweede plaats presenteert deze notitie de verfijning van het puntensysteem dat wordt gehanteerd in het kader van de toekenning van de Sanderskwalificatie (SK) aan medewerkers van de faculteit. Dit verfijnde puntensysteem treedt op 1 januari 2007 in werking; in de beoordelingsronde van begin 2009 (over de jaren 2006-2007-2008) zal dit puntensysteem voor het eerst worden toegepast.

2. Wat is een wetenschappelijke publicatie?

2.1. Het inhoudelijke aspect

Met de invoering van de Sanderskwalificatie is de relevantie van wat wel en wat niet een wetenschappelijke publicatie is, toegenomen. Zoals bekend volgt de faculteit de definitie die in het rapport van de commissie-Stolker1 staat:

een publicatie is wetenschappelijk wanneer op basis van een concrete probleemstelling en een uitputtende analyse daarvan, tot uitkomsten wordt gekomen die leiden tot ‘increasing the body of academic knowledge’.

Maar wanneer is van dit laatste sprake en wie beslist uiteindelijk in de faculteit of er van een wetenschappelijke publicatie kan worden gesproken?

Over het algemeen levert het geen problemen op te beoordelen of een publicatie een concrete probleemstelling heeft en of er op basis van deze probleemstelling een uitputtende analyse is verricht. Zeker specialisten op het betreffende vakgebied zijn bij machte daarover een juist oordeel te vellen. Algemeen genomen kan op basis van de eisen van probleemstelling en uitputtende analyse reeds worden geconcludeerd dat korte opiniërende bijdragen aan (ook gerenommeerde) tijdschriften en annotaties geen wetenschappelijke publicaties zijn. Korte opinies niet, omdat aan de probleemstelling geen uitputtende analyses vooraf zijn gegaan. Annotaties niet omdat deze noch een probleemstelling noch een uitputtende analyse bevatten. Zoals altijd is betoogd, kan in concrete situaties anders worden geoordeeld. De bewijslast rust dan op de auteur die dan in feite moet verdedigen dat de vorm (de noot, de opinie) niet strookt met de inhoud.

Ook al kan echter worden aangetoond dat een publicatie een probleemstelling en een op grond daarvan uitputtende analyse bevat, dan nog wil dit niet zeggen dat de publicatie het predikaat ‘wetenschappelijk’ verdient. Daartoe is vereist dat probleemstelling en analyse gericht moeten zijn op ‘increasing the body of academic knowledge’. Wanneer is daaraan voldaan?
Duidelijk zal zijn dat wetenschappelijke kennis niet toeneemt als louter een stand van zaken, hoe minutieus ook, wordt beschreven. De meeste bijdragen aan losbladige uitgaven, gericht op voorlichting van de praktijk, zijn deswege veelal geen wetenschappelijke publicatie. Zij doen niet meer dan (verdienstelijk) een stand van zaken (wellicht in detail en met uitputtende bronvermelding) beschrijven. Er ontbreekt meestal een probleemstelling (er worden immers in de meeste gevallen wetsartikelen besproken) en er wordt zeker niets toegevoegd aan de bestaande juridische kennis. Hooguit wordt beschreven en samengevat wat elders nog niet eerder is gedaan. Het gaat hier dus om een vakpublicatie.

In welke situatie vindt ‘increasing the body of academic knowledge’ plaats? Het Dagelijks bestuur onderzoek (DB-OZ) is de mening toegedaan dat daarvan sprake is, indien ten minste beredeneerd stelling wordt genomen in het wetenschappelijke debat dat in de voorafgaande uitputtende behandeling van de probleemstelling is uiteengezet. ‘Beredeneerd stelling nemen’ betekent, dat op basis van een weging van de tot dan toe genoemde argumenten ter verdediging van een juridisch standpunt, ten minste een nieuw gezichtspunt wordt geformuleerd, dat ofwel op basis van een nieuwe argumentatie wordt verdedigd ofwel aanleiding geeft tot dan toe aangevoerde argumenten in een nieuw licht te plaatsen. Alleen een deskundige op het betreffende rechtsgebied zal in staat zijn te beoordelen of aan deze eis is voldaan. Een onderzoeker met veel onderzoekservaring, maar buiten het betreffende rechtsgebied, zal aan de opzet van een publicatie en de wijze waarop het debat wordt beschreven en hoe daarin stelling door de betrokken auteur stelling wordt genomen, vrij snel kunnen doorzien of het wel dan wel niet om een wetenschappelijke publicatie gaat. Desalniettemin ligt het oordeel over de merites van het inhoudelijke debat als uitgangspunt in handen van degenen die de leading experts op het betreffende vakgebied zijn.

In het rapport van de Commissie-Stolker wordt ervan uitgegaan dat het niet wel denkbaar is dat een wetenschappelijke publicatie minder dan 4.000 woorden bevat. Aan dit uitgangspunt zal het DB-OZ zich houden. Evenwel is zeker niet ondenkbaar dat de redactie van een in aanzien staand nationaal juridisch tijdschrift de regel hanteert dat plaatsing van een als wetenschappelijk geduid artikel een maximum aantal woorden mag bevatten van minder dan de genoemde norm. In die situatie zal de 4.000 woorden-norm vooralsnog met een zekere flexibiliteit worden toegepast. Wel zal dan extra kritisch naar de overige vereisten van een wetenschappelijke publicatie worden gekeken.

Het rapport van de commissie-Stolker en deze notitie zijn primair gericht op juridisch onderzoek. Binnen de faculteit vindt ook niet-juridisch onderzoek plaats. Bij het beoordelen van de resultaten van niet-juridisch onderzoek zal zo nodig rekening worden gehouden met de eisen die voor de beoordeling van onderzoekresultaten van de betrokken discipline gelden.

2.2. Het procedurele aspect: checks and balances
De vraag of een publicatie als wetenschappelijk moet worden gekwalificeerd, wordt door verschillende personen q.q. beoordeeld, ieder vanuit een eigen perspectief. Op deze wijze wordt via een zorgvuldig systeem van checks and balances optimaal gegarandeerd dat een gerealiseerde publicatie zoveel mogelijk de juiste kwalificatie krijgt.

Sectiehoofd
Het sectiehoofd (de leerstoelhouder) is degene die vaststelt of de publicaties van de leden van de sectie wetenschappelijke publicaties of vakpublicaties zijn. Het sectiehoofd toetst derhalve of voldaan is aan de vereisten zoals deze hiervoor zijn uiteengezet (het inhoudelijke aspect). Het sectiehoofd is bij uitstek als deskundige op zijn vakgebied geschikt te beoordelen of een binnen zijn sectie gerealiseerde publicatie, op basis van probleemstelling en uitwerking daarvan, een vernieuwende component bevat.
Op het moment dat een sectielid een publicatie wil opgeven bij het faculteitsbureau ten behoeve van onder meer zijn portfolio, zal de onderzoeker het sectiehoofd dienen te raadplegen of zijn publicatie een wetenschappelijke publicatie (en zo ja, van welke categorie, zie hieronder §3.2.1) of een vakpublicatie is2.
Dit betreft de kwalificatie van een publicatie, niet de vorm (een artikel of een boek kan een wetenschappelijke publicatie of een vakpublicatie zijn). Ook als een medewerker in aanmerking wenst te komen voor het extra punt dat wordt toegekend aan een wetenschappelijke publicatie binnen een onderzoekprogramma (zie hieronder §3.2.1), dient de medewerker het fiat van de programmaleider te verkrijgen.
Gedurende de loop van enig jaar worden langs deze weg publicaties gekwalificeerd en geregistreerd. Voor een goed verloop van deze procedure is het van groot belang dat publicaties tijdig worden aangemeld en geregistreerd.

Programmaleider
In het begin van ieder jaar worden alle opgegeven publicaties gebundeld ten behoeve van het wetenschappelijke verslag van het voorgaande jaar. Naar verwachting valt het merendeel van de publicaties onder één van de onderzoeksprogramma’s van de faculteit.
Van elk van deze programma’s ontvangt de programmaleider een uitdraai van alle publicaties die door hem reeds als onderdeel van zijn programma zijn geaccepteerd, alsmede de publicaties die door deelnemers van zijn programma alsnog worden aangeboden voor acceptatie binnen het onderzoekprogramma.
De programmaleider stelt vervolgens de definitieve publicatielijst van zijn programma vast, waaronder begrepen een beoordeling welke publicaties naar zijn oordeel als wetenschappelijke publicaties zijn te beschouwen.
Voor de programmaleider is dit van belang omdat hij te zijner tijd zal bepalen welke publicaties hij aan de visitatiecommissie zal aanbieden en welke publicaties hij daarmee voor zijn programma waardevol acht. De beoordeling door de programmaleider maakt deel uit van de dossiers van de medewerkers die door de JOB worden beoordeeld.
Op basis van de toets door de programmaleider wordt ieder jaar het wetenschappelijke verslag van (vooral) de onderzoeksprogramma’s opgesteld.

JOB
Als een nieuwe SK-ronde over de referteperiode (drie jaren) wordt afgekondigd, ontvangt de JOB de publicatiegegevens van elke medewerker. Het faculteitsbureau geeft per medewerker op basis van deze verslagen een opsomming van de gerealiseerde publicaties, dus zowel van de wetenschappelijke publicaties als de vakpublicaties, alsmede de vastgestelde omvang van de onderzoekstijd van de medewerker (het portfolio).
De JOB geeft daaropvolgend een advies aan het DB-OZ over iedere medewerker. De JOB toetst het oordeel van het sectiehoofd die een publicatie heeft aangemerkt als een wetenschappelijke publicatie of vakpublicatie. Bij de publicaties van onderzoekers die deel uitmaken van een programma neemt de JOB ook het oordeel van de programmaleider over de wetenschappelijkheid van die publicaties in beschouwing.
Programmaleider en sectiehoofd zullen in de meeste gevallen tot overeenstemming over de kwalificatie komen. Niet ondenkbaar is echter ook dat zij van mening blijven verschillen, doordat bijvoorbeeld het sectiehoofd een publicatie als een wetenschappelijke publicatie oormerkt, terwijl de programmaleider heeft geoordeeld dat het om een vakpublicatie gaat. Vooralsnog zal ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid zijn mening mogen hebben. Het zijn vooral deze tegengestelde visies op een publicatie die door de JOB en het DB-OZ in het kader van een nieuwe SK-ronde zorgvuldig zullen worden beoordeeld.
De JOB geeft vervolgens een advies over het totale portfolio van de betreffende medewerker en of dit portfolio haars inziens de Sanderskwalificatie rechtvaardigt. Zonodig wordt een externe deskundige ingeschakeld om een mening te kunnen vormen over de inhoud (en dus het vernieuwende) van de publicatie.
Anders dan het sectiehoofd en de programmaleider, vormt de JOB zich dus een oordeel over de volledige portfolio’s van de medewerkers gedurende de referteperiode3. Het resultaat is een advies aan het DB-OZ over het al dan niet toekennen van de SK.

DB-OZ
Het DB-OZ beslist over de al dan niet toekenning van de Sanderskwalificatie, op grond van de door de JOB verstrekte adviezen over de portfolio’s. Het laatste woord is derhalve aan de (onderzoek-)decaan. Uitdrukkelijk zij vermeld, dat het DB-OZ bij het antwoord op de vraag of de Sanderskwalificatie wordt toegekend, rekening kan houden met omstandigheden die tot dan toe nog geen rol in het beoordelingstraject hebben gespeeld. Bijzondere situaties zoals langdurige ziekte, een intensieve bestuurstaak, een periode van onbetaald verlof kunnen mede gewicht in de schaal leggen bij de uiteindelijk te nemen beslissing. Uiteraard verdient het ten sterkste aanbeveling een bijzondere situatie zo vroeg mogelijk (indien mogelijk vóóraf) mogelijk aan de (onderzoek-)decaan te melden.

Samenstelling JOB
De JOB speelt in het proces van beoordeling of er van een wetenschappelijke publicatie of een vakpublicatie sprake is uiteraard een belangrijke rol. De JOB-leden zullen daarom een brede spreiding moeten hebben wat betreft hun participatie in de onderzoeksprogramma’s en een onberispelijke staat van dienst op het terrein van het onderzoek. Teneinde dit te realiseren zal de JOB met ingang van 1 januari 2007 als volgt worden samengesteld en gelden de volgende voorwaarden:

1) De JOB bestaat uit vier hoogleraren en één U(H)D, die gezamenlijk zoveel mogelijk binnen alle facultaire onderzoekprogramma’s participeren.
2) De leden van de JOB behoren bij de voorlaatste SK-ronde tot de hoogleraren4 respectievelijk U(H)D’s die de hoogste aantallen punten hebben gescoord dan wel, bij recent aangestelde hoogleraren en U(H)D’s, over de laatste drie jaar de hoogste aantallen punten hebben gescoord.
3) De JOB kiest uit haar midden een voorzitter en draagt die ter benoeming voor aan de decaan.
4) De functies decaan, onderzoekdecaan, onderwijsdecaan en programmaleider zijn onverenigbaar met het lidmaatschap van de JOB.
5) De leden van de JOB worden voor een periode van twee jaar benoemd.
6) Om de continuïteit te waarborgen zijn twee van de vijf leden opnieuw benoembaar. In beginsel zijn dit de twee leden die bij de voorlaatste SK-ronde de hoogste aantallen punten hebben gescoord.
7) De aftredende leden van de JOB zijn niet benoembaar voor de eerstvolgende SK-ronde.
8) Met betrekking tot het portfolio van de leden van de JOB, stelt de JOB een SK-advies op, waarbij het betreffende JOB-lid zelf niet betrokken is.

3. Een verfijning van het puntensysteem

3.1. Inleiding
De beslissing om de Sanderskwalificatie al dan niet toe te kennen was in de voorbije beoordelingsronde gebaseerd op de norm dat elke medewerker per jaar gemiddeld drie wetenschappelijke publicaties moet realiseren. Op en na advies van de JOB heeft het DB-OZ besloten een verfijnder systeem van toekenning van punten aan wetenschappelijke activiteiten te hanteren. Aan deze verfijning liggen vier motieven ten grondslag.

In de eerste plaats hebben niet alle wetenschappelijke publicaties dezelfde kwaliteit: ze kunnen verschillen wat betreft de mate van originaliteit, grondigheid en grensoverschrijdendheid (zie de criteria van de Vlaamse Commissie-Verbeke, waarnaar wordt verwezen door de Commissie-Stolker). Bepaalde tijdschriften hanteren een referee-systeem om de originaliteit en de grondigheid van de publicatie te beoordelen. De grensoverschrijdendheid kan blijken uit interne/externe rechtsvergelijking of uit interdisciplinariteit. Bij publicaties in internationale tijdschriften zal vaak aan bovengenoemde criteria voldaan zijn. Kortom, een publicatie kan meer of minder wetenschappelijk zijn. Het DB-OZ acht het wenselijk dat in het puntensysteem rekening wordt gehouden met deze verschillende gradaties van wetenschappelijkheid.

In de tweede plaats moet ook de waarde van vakpublicaties worden erkend. De auteur die door beroepsgroepen wordt gevraagd om een commentaar te schrijven op recente juridische ontwikkelingen zal vaak ook een goede wetenschapper zijn. De Commissie-Stolker stelt dat de negatieve connotatie, als zou het bij vakpublicaties om minderwaardige publicaties gaan, niet terecht is. Om deze reden is het wenselijk ook aan vakpublicaties enige betekenis te geven in het puntensysteem. Daarbij moet er wel over gewaakt worden dat een medewerker een te lage output van wetenschappelijke publicaties niet door een stroom van vakpublicaties kan corrigeren. Landelijk draait het immers vooral om wetenschappelijke publicaties en bij onderzoeksbeoordelingen zal de faculteit daarop worden afgerekend.

In de derde plaats verschillen de onderzoekstaken per medewerker. Van hoogleraren wordt verwacht dat zij proefschriften begeleiden en middelen verwerven uit de tweede (en/of derde) geldstroom. Daarom is het wenselijk in het puntensysteem de verschillende taken per categorie van medewerkers tot uiting te laten komen.

Ten slotte is het wenselijk in het beoordelingssysteem positieve prikkels in te bouwen. Naast het onthouden van de Sanderskwalificatie aan medewerkers die de outputnorm niet halen, wordt daarom voorgesteld medewerkers die meer presteren dan het vereiste minimum te belonen. Deze beloning kan de vorm aannemen van een sabbatical period, een verhoging van de onderzoektijd of een onderzoekprijs.

3.2. De waardering van afzonderlijke publicaties

3.2.1 Wetenschappelijke publicaties
Punten bij een publicatie van één auteur:

Publicatie die beantwoordt aan de criteria van de KNAW

3 punten

(Bijdrage in een) boek

3 punten per hoofdstuk, met een maximum van 9 punten

Publicatie in een internationaal tijdschrift (niet Nederlandstalig) zonder referee-systeem

4 punten

Grensoverschrijdende publicatie

4 punten

Nederlandstalige publicatie van minimaal 10.000 woorden

4 punten

Publicatie in een internationaal tijdschrift met referee-systeem

6 punten

Publicatie die wordt geaccepteerd in een onderzoekprogramma
NB: dit betreft uitsluitend deelnemers aan een onderzoekprogramma

1 extra punt

Het uitgangspunt is dat elke wetenschappelijke publicatie wordt gewaardeerd met 3 punten.
Een bijkomend punt wordt toegekend wanneer het gaat om een internationale publicatie, een grensoverschrijdende publicatie of om een publicatie die binnen het thema van het betreffende onderzoekprogramma valt.
Een publicatie geldt als internationaal wanneer deze in een andere taal dan het Nederlands geschreven is. Uiteraard levert een nagenoeg letterlijke omzetting van een publicatie vanuit het Nederlands in een andere taal geen punten op.
Een publicatie is grensoverschrijdend wanneer ze vergelijkend is (vergelijking van nationale rechtsstelsels of het betrekken van verschillende juridische disciplines bij de beantwoording van de onderzoeksvraag) of interdisciplinair (betrekken van andere wetenschapsdomeinen bij de beantwoording van de onderzoeksvraag). Grensoverschrijdend kan er ook uit bestaan dat veel eigen (empirische) gegevensverzameling plaatsvindt.

Publicaties in internationale tijdschriften met een referee-systeem worden beloond met drie extra punten. Om het bijkomende punt voor grensoverschrijdende publicaties te verwerven moet de medewerker een aanvraag indienen bij de programmaleider en sectiehoofd. In het geval dat een aanspraak wordt gemaakt op drie bijkomende punten moeten de verslagen van de referees worden meegedeeld.

Aan elke publicatie die wordt geaccepteerd door een programmaleider om deel uit te maken van een onderzoekprogramma wordt één extra punt toegekend.

Een wetenschappelijke publicatie scoort dus minimaal drie punten en maximaal zeven punten.
De differentiatie ten aanzien van verschillende soorten wetenschappelijke publicaties beloont een aantal publicatievormen die de faculteit wenst aan te moedigen, maar zegt op zich niets over de kwaliteit van de publicaties.

Een wetenschappelijk boek kan worden gewaardeerd met drie punten per hoofdstuk met een maximum aantal van negen punten. Indien het boek wordt geaccepteerd binnen een programma wordt één extra punt toegekend, en komt het maximum aantal op 10 punten. De onderliggende idee is dat een medewerker gedurende een jaar aan een boek kan werken en daarmee de vereiste wetenschappelijke output kan realiseren. Indien een medewerker langer dan een jaar aan een boek werkt en een hoger aantal punten wil behalen, moet er een voorafgaande afspraak met de programmaleider en sectiehoofd worden gemaakt. Een herdruk van een boek telt voor één punt, tenzij kan worden aangetoond dat veel extra werk is verricht in de vorm van nieuwe hoofdstukken of een substantiële bewerking van de eerste druk. In deze gevallen kunnen drie punten worden toegekend. Een verzoek tot toekenning van de extra punten moet worden ingediend bij de programmaleider of (ingeval het boek niet in een onderzoeksprogramma past) bij de onderzoeksdecaan.

Een wetenschappelijke publicatie met mede-auteurs levert twee punten per auteur op. Van geen belang is dat een medeauteur niet aan de EUR is verbonden.

Punten per auteur, bij verscheidene auteurs:

Publicatie die beantwoordt aan de criteria van de KNAW

2 punten

(Bijdrage in een) boek

2 punten per hoofdstuk, met een maximum van 6 punten

Publicatie in een internationaal tijdschrift (niet Nederlandstalig) zonder referee-systeem

3 punten

Grensoverschrijdende publicatie

3 punten

Nederlandstalige publicatie van minimaal 10.000 woorden

3 punten

Publicatie in een internationaal tijdschrift met referee-systeem

4 punten

Publicatie die wordt geaccepteerd in een onderzoekprogramma
NB: dit betreft uitsluitend deelnemers aan een onderzoekprogramma

1 extra punt


3.2.1 Andere vormen van onderzoeksoutput

Vakpublicatie

1 punt

Een tweede geldstroomaanvraag die als subsidiabel is
beoordeeld/is toegewezen

2 punten

Afgeronde promotie (promotor)

3 punten

Afgeronde promotie (co-promotor)

2 punten

Als vakpublicaties gelden onder meer: annotaties, boekbesprekingen, bijdragen aan losbladige uitgaven en (hoofdstukken in) leerboeken. De medewerker mag steeds het tegenbewijs leveren dat deze publicaties wetenschappelijk zijn. In bepaalde gevallen kan het wetenschappelijke karakter van de bijdrage worden vermoed (bijv. een boekbespreking van minstens 4000 woorden in het Rechtsgeleerd Magazijn Themis).

Het verwerven van middelen uit de tweede geldstroom wordt beloond met twee punten; eveneens worden met twee punten beloond de aanvragen die niet worden toegewezen, maar door de subsidiegever wel als subsidiabel worden beoordeeld. Hieronder vallen kredieten toegestaan door NWO of door vergelijkbare buitenlandse instellingen.

Een hoogleraar krijgt drie punten voor elke succesvol afgeronde promotie. Hoogleraren en UHD’s die optreden als co-promotor krijgen twee punten voor elke succesvol afgeronde promotie. Deze punten worden toegekend in het jaar waarin het proefschrift is verdedigd.

3.3. De norm per medewerker
Elke medewerker moet over een periode van drie jaar gemiddeld een minimum aantal punten behalen om de Sanderskwalificatie te verkrijgen. De minimumnorm is gedifferentieerd en is afhankelijk van de functie van de betrokken medewerker. Elke medewerker moet echter gemiddeld negen punten behalen met uitsluitend wetenschappelijke publicaties. Bij deeltijdse aanstellingen en het vervullen van facultaire functies worden de normen pro rata toegepast.

Hoogleraar

14 punten x 3 jaar = 42 punten in totaal

Universitair Hoofddocent

10 punten x 3 jaar = 30 punten in totaal

Universitair Docent

9 punten x 3 jaar = 27 punten in totaal

Bij het bepalen van de minimumnormen zijn twee overwegingen van belang. In de eerste plaats is de norm voor hoogleraren het hoogst: zij hebben immers een voorbeeldfunctie. Tevens is gedifferentieerd tussen de verwachte output van hoofddocenten en docenten.

In de tweede plaats is de minimumnorm van gemiddeld drie wetenschappelijke publicaties per jaar gehandhaafd. Het puntensysteem maakt echter duidelijk dat er ook andere vormen van wetenschappelijke output zijn, zoals vakpublicaties. Deze extra te verdienen punten moeten als positieve prikkels worden beschouwd. Zij kunnen in aanmerking worden genomen om de Sanderskwalificatie per uitzondering toch toe te kennen indien de medewerker in een enkele referentieperiode niet de norm van drie wetenschappelijke publicaties heeft gehaald, maar deze wel in andere referentieperiodes heeft gerealiseerd. Tevens kunnen ze van betekenis zijn bij de beslissing een bijkomende beloning aan een (zeer) goede onderzoeker toe te kennen. De minimumnormen staan los van de onderwijsbelasting, zodat een grote onderwijsbelasting zonder voorafgaande ontheffing geen reden is om af te wijken van de minimumnormen.

(Zeer) goede onderzoekers moeten extra worden beloond. Een eerste optie is het toekennen van een sabbatical period (variërend tussen één en drie maanden). Andere opties zijn het toekennen van meer onderzoekstijd (bijv. 0,5 fte in plaats van 0,4 fte), gedifferentieerd belonen of een jaarlijkse onderzoeksprijs. Deze opties moeten nader worden uitgewerkt alvorens besluitvorming ter zake kan plaatsvinden.

3.4. Inwerkingtreding herzien puntensysteem
De in deze notitie neergelegde verfijning van het puntensysteem geldt voor de beoordeling van wetenschappelijke prestaties met ingang van kalenderjaar 2007
Deze nieuwe normen worden dus niet toegepast bij de ronde van SK-toekenningen die begin 2007 plaatsvindt, omdat die betrekking heeft op de periode 2004-2005-2006. Voor die periode geldt dus de norm van drie wetenschappelijke publicaties per medewerker. Wel kan in de Sanders-ronde van begin 2007 als correctief gelden dat een medewerker die deze norm niet haalt, maar wel volgens het nieuwe puntensysteem een goede onderzoeker is (bijv. publicaties in refereed journals) toch de SK krijgt. Het nieuwe systeem kan begin 2007 derhalve worden toegepast in het voordeel van de medewerker.

Het verfijnde puntensysteem geldt voluit vanaf de SK-ronde van 2009 (over de jaren 2006-2007-2008).

Rotterdam, maart 2006.

Noot 1: Oordelen over rechten. Rapport Commissie Voorbereiding Onderzoeksbeoordeling Rechtsgeleerdheid (VSNU, oktober 2005).
Noot 2: Daarnaast bestaan nog: de ‘populariserende publicatie’ voor een algemeen publiek en ‘overige producten’ (lezingen e.d).
Noot 3: Aan promovendi die hun dissertatie tussen twee SK-ronden voltooien kan een ‘voorwaardelijke’ SK worden verleend.
Noot 4: Onder hoogleraren begrepen bijzonder hoogleraren met een aanstelling als U(H)D bij de faculteit.