Onze geschiedenis

In de zomer van 2014 bestaat Erasmus School of Law 51 jaar. In 2013, ter gelegenheid van het tiende lustrum, verscheen onder redactie van prof. mr. Laurens Winkel en prof. mr. Lodewijk Rogier het prachtige boek Erasmus School of Law en haar voorgangers. Deze uitgave geeft een beeld van vijftig jaar juridisch onderwijs en onderzoek aan de Nederlandse Economische Hogeschool en de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Founding father Piet Sanders

“Aan de wieg van de faculteit stond één ‘founding father’: Piet Sanders (1912-2012).
Hij wordt in vele bijdragen genoemd en geroemd. Sanders heeft – na een terugval in zijn carrière, veroorzaakt door zijn heengaan als Secretaris-Generaal van de Commissie-Generaal van Nederlandsch Indië als protest tegen de Eerste Politionele Actie in de herfst van 1947 – het genoegen mogen smaken een faculteit in te richten naar zijn eigen ideeën. Hij werd in 1959 benoemd tot hoogleraar met als expliciete opdracht het voorbereiden van een nieuwe rechtsgeleerde faculteit.

Van 1963 tot 1967 was hij ‘bouwdecaan’ en hij heeft nog lang na zijn emeritaat in 1981, in feite zelfs tot zijn overlijden op 100-jarige leeftijd in 2012, een belangrijk stempel gedrukt op het facultaire reilen en zeilen. Het was dan ook voor nieuwe facultaire bestuurders altijd een apart moment in contact te treden met Piet Sanders, die niet alleen door zijn grote wetenschappelijke verdiensten, maar ook door zijn beminnelijke uitstraling zeer veel invloed uitoefende. De facultaire bibliotheek en de onderzoeks-kwalificatie, waaraan facultaire medewerkers dienen te voldoen, zijn nog steeds naar Sanders vernoemd.

‘Als juristen twisten’ en andere boeken

Hetgeen hier als deel van de facultaire geschiedenis wordt weergegeven is niet de eerste geschiedschrijving van de faculteit. In 1976 verscheen het boek Portret van de juridische faculteit Rotterdam dat in opzet enigszins vergelijkbaar is met het huidige gedenkboek. In dat boek stond de rechtswetenschap als maatschappijwetenschap centraal.
In 1988 verschenen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de faculteit twee gedenkboeken. Het eerste boek had het thema de conflictbeslechting buiten de overheidsrechter om. Natuurlijk was dat thema geïnspireerd door de grote belangstelling van Sanders voor het arbitragerecht. Het tweede boek was nogal gericht op de personen die de faculteit tot dan toe gestalte hadden gegeven. Het boek droeg de titel 'Als juristen twisten', een toespeling op de nogal roerige eerste periode van de faculteit waarin karakters en opvattingen over de inrichting van onderwijs en onderzoek nogal eens botsten. In grote lijnen gaat het in dat boek over de toepassing van de Wet-Veringa, de Wet Universitaire Bestuurshervorming van 1970 die in de Rotterdamse faculteit vergaande gevolgen had, omdat van het zogenaamde experimenteerartikel gebruik werd gemaakt om de democratisering nog een extra impuls te geven.

Verder werd veel aandacht besteed aan twee dominante hoogleraren uit die periode, Jack ter Heide, hoogleraar Inleiding tot de Rechtswetenschap, en Louk Hulsman, hoogleraar Strafrecht. Ook aan de invoering van het nieuwe rangenstelsel van het wetenschappelijk personeel in 1985 werd aandacht besteed. Vanaf die tijd diende ook een universitair docent in beginsel te zijn gepromoveerd en werd een carrière binnen de universiteit veel meer afhankelijk van succesvol wetenschappelijk onderzoek.

In 1993 verscheen naar aanleiding van het twintigjarig bestaan van de Erasmus Universiteit een boek waarin vooral de institutionele geschiedenis van de universiteit werd behandeld. In dat boek is ook kort aandacht besteed aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid en met name aan de invoering van de fiscaal-juridische opleiding. Verder komen in dat boek aan de orde de verschillende bezuinigingsoperaties in het hoger onderwijs die in de jaren tachtig werden doorgevoerd en die ook aan de Erasmus Universiteit sterk merkbaar zijn geweest, zoals de Taakverdeling en Concentratie en de Selectieve Krimp en Groei.

MUB en MOD

In de laatste twintig jaar zijn vooral vermeldenswaard de invoering in 2002 van de zelfstandige opleiding Criminologie waarvoor veel belangstelling bestaat, en verder de veranderingen in de regelingen over het bestuur van de universiteit en van de faculteiten. In 1998 kwam de Wet Modernisering Universitair bestuur tot stand, waarin zeer vele vormen van inspraak die destijds in 1970 in de Wet Universitair Bestuur waren verankerd, nogal bruusk werden teruggedraaid. Zo verloren de vakgroepen hun juridische zelfstandigheid. De vakgroepen waren in 1970 ingesteld en hadden zelfstandige bevoegdheden die vóór 1970 door hoogleraren werden uitgeoefend. Zo werd de inhoud van het onderwijs en onderzoek binnen een vakgroep democratisch bepaald met inspraak van studenten en niet-wetenschappelijk personeel. Na 1998 gingen velerlei bevoegdheden over op de decaan die als enige facultaire beheers- en bestuursverantwoordelijkheid draagt. Wel kan de decaan bepaalde delen van de beheers- en bestuursbevoegdheid delegeren. Voor de faculteit had dit tot gevolg dat grotere capaciteitsgroepen werden gecreëerd. Er zijn thans vier van zulke capaciteitsgroepen: Algemene Rechtswetenschappen,

Privaatrecht, Publiekrecht en Fiscaal recht. In de Capaciteitsgroep Algemene Rechtswetenschappen zijn de rechtstheoretische, rechtshistorische, rechtseconomische en sociaalwetenschappelijke leerstoelen ondergebracht. Criminologie is organisatorisch ingedeeld bij de Capaciteitsgroep Publiekrecht. Binnen zulke capaciteitsgroepen functioneren secties, die wel een eigen budget hebben, maar geen financiële beslissingsbevoegdheid.

Sinds 1998 wordt aan de universiteit leiding gegeven door een College van Bestuur, waarvan de leden nu niet meer door de Minister van Onderwijs, maar door een Raad van Toezicht worden benoemd. Slechts de leden van de Raad van Toezicht worden nog door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap benoemd. Deze ontwikkeling laat zien, hoezeer de directe bemoeienissen van het ministerie van OC&W met het universitaire wel en wee zijn afgenomen. Immers, nog tot de Wet-Pais in 1980 waarbij onder meer alle lectoren de titel hoogleraar kregen, werden alle hoogleraren en lectoren aan de openbare instellingen van wetenschappelijk onderwijs door de Kroon benoemd en was er voor iedere benoeming van een hoogleraar of lector een Koninklijk Besluit nodig. Thans benoemt het College van Bestuur een hoogleraar, na een procedure waarin in de laatste fase meestal de zusterfaculteiten een bescheiden rol spelen.

In de faculteit is tegenwoordig, veel meer dan vroeger, een hoofdrol weggelegd voor de decaan, die als enige werkelijk verantwoordelijk is voor het facultaire reilen en zeilen. Weliswaar bestaat er nog een Faculteitsraad, maar meer dan marginale zeggenschap over begroting en personeelsbeleid heeft dat orgaan niet. Onder de WUB was de faculteitsraad bevoegd het vertrouwen in het faculteitsbestuur op te zeggen. Die bevoegdheid bestaat onder de MUB niet meer. De faculteitsraad bestaat voor de helft uit vertegenwoordigers van de studenten en voor de andere helft uit vertegenwoordigers van het facultaire personeel. Eén zetel is bestemd voor een vertegenwoordiger van het ondersteunend en beheerpersoneel. Op het terrein van de facultaire begroting en op sommige onderdelen van het beleid heeft de faculteitsraad nog instemmingsrecht, voor het overige is de raad een officieel orgaan van medezeggenschap en dient de faculteitsraad als overlegorgaan.

De decaan wordt tegenwoordig benoemd door het College van Bestuur voor een periode van vier jaar en is belast met het bestuur en daarnaast met het beheer van de faculteit. Binnen het financiële kader dat door het College van Bestuur wordt vastgesteld, heeft een decaan een zeer grote beleidsvrijheid. Zeker nu ook de vereisten voor de benoembaarheid in juridische functies, zoals die vroeger in de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Advocatenwet waren vastgesteld (de zogenaamde vereisten voor het civiel effect), enigszins aan belang hebben ingeboet, is die decanale vrijheid nog groter geworden. Ook waren er vroeger regelingen over de inrichting van het onderwijs die voor de continuïteit van onderwijs en onderzoek en waarborgen inhielden en die teruggingen op het Academisch Statuut van 1921. Deze regelingen zijn vrijwel alle afgeschaft. Dat betekent dat een decaan in zeer vergaande mate de richting van het facultaire onderwijs en onderzoek kan bepalen.

Decanen en hoogleraren

In het licht van deze ontwikkelingen hebben de decanen aan onze faculteit dan ook een steeds groter stempel gedrukt op de inrichting van het onderwijs en onderzoek. In de laatste 25 jaar waren dat Piet Akkermans (1987–1989 en 1991–1993), Hans Beckman (1989), Rob van Delden (1990–1991), Hans de Doelder (1993–2001), Jaap de Zwaan (2001–2004), Marc Loth (2004–2008) en Maarten Kroeze (2008–2012). Piet Akkermans werd na zijn tweede periode als decaan benoemd tot rector-magnificus van de universiteit. Onder leiding van Hans de Doelder vond in 1998 de omslag naar de nieuwe bestuursstructuur plaats. Sinds eind 2012 en op het moment van het schrijven van deze bijdrage is Suzan Stoter decaan. Zij trad in 2012 tevens aan als hoogleraar rechtssociologie. Natuurlijk kan een decaan niet opereren zonder een zeker draagvlak binnen de faculteit. Daarom zijn er sinds 1997 in Rotterdam halfjaarlijkse tweedaagse bijeenkomsten van de hoogleraren gedurende welke het facultaire beleid wordt besproken. Deze bijeenkomsten zijn heel nuttig gebleken, ook voor de onderlinge banden binnen de faculteit. Zij worden ook bijgewoond door twee studenten die als niet-stemhebbende vertegenwoordigers van de studenten aan de verschillende gremia van de faculteit deelnemen en door de leidinggevenden van het faculteitsbureau,dat in de loop van de tijd een zeer aanzienlijke uitbreiding heeft gekend.

Visitaties

Die uitbreiding is vooral nodig, omdat de verantwoording die de universiteit aan ambtelijke instanties en daarmee indirect aan de samenleving moet afleggen, zeer belangrijk is uitgebreid. Al sinds de jaren zeventig – zie het bekende artikel van de hand van Herman Vuijsje in de Haagse Post in 1975 over de zogenaamde nieuwe vrijgestelden – heeft de universiteit heel wat uit te leggen. Werkers aan universiteit worden goed betaald en politiek en samenleving eisen dan ook een steeds verder gaande verantwoording van de bestede tijd. Zo was het vroeger, nog in 1963, ondenkbaar dat er ooit een Inspectie Hoger Onderwijs zou komen en al evenmin was het denkbaar dat men elkaar tegenwoordig in nationaal en internationaal verband aan de universiteiten de maat neemt en tot in detail aan de buitenwereld verslag uitbrengt over onderwijs en onderzoek. Deze laatste operatie heet visitatie. Zulke visitaties hebben zeer belangrijke consequenties, niet alleen maar voor het werkklimaat aan de universiteit, maar ook voor de instellingen zelf. Een slecht visitatierapport over onderwijs heeft onmiddellijke uitwerking op de waarde van het diploma en kan uiteindelijk leiden tot sluiting dan wel opheffing van de betreffende opleiding.

Een van de eerste visitaties van de Rotterdamse faculteit vond plaats in 1996, waarbij de Visitatiecommissie onder leiding stond van de bekende Vlaamse hoogleraar Marcel Storme. Sedert die tijd vindt iedere vijf dan wel zes jaar een visitatie van onderwijs dan wel onderzoek plaats, tegenwoordig nog verfijnd door een mid-term review tussen de visitaties door. Positieve onderwijsvisitaties zijn nodig voor het verwerven van accreditatie van opleidingen. Elke door het Rijk bekostigde opleiding aan een universiteit dient geaccrediteerd te zijn door een accrediteringsorgaan, de NVAO, de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie, dat wil zeggen te zijn opgenomen in een register. Daarvoor is nodig de presentatie van een samenhangend studieprogramma met gedetailleerde opgave van de studiebelasting en van de onderwijsdoelen. Deze onderwijsdoelen moeten via een vast stelsel van descriptoren worden omschreven. Uiteraard zijn er ook mechanismen ter controle van het naleven van deze doelstellingen. Daartoe dienen zeer regelmatige enquêtes, ook onder studenten. De accreditatie geldt voor een periode van zes jaar.

Vernieuwing in onderwijs en onderzoek

Ook in het kader van de Europese Unie wordt ter bevordering van uitwisselingen gewerkt aan stroomlijning van de studieprogramma’s Daarom werd in 2003 het bachelor/mastersysteem ingevoerd, dat voor Nederlandse universitaire opleidingen betekende de invoering van een driejarige bachelor en een eenjarig masterprogramma. Met dat laatste zijn de Nederlandse universiteiten een uitzondering: in vrijwel alle andere Europese landen is of wordt een driejarige  bachelor-opleiding gevolgd door een tweejarig masterprogramma. Dit is er de oorzaak van, dat relatief veel buitenlandse studenten naar Nederland, ook naar Rotterdam komen om een masterdiploma te verwerven. In Europa werden daarnaast optimistische afspraken gemaakt over doelstellingen van wetenschappelijk onderwijs. In Lissabon is in 2006 afgesproken, dat in de hele Europese Unie de helft van de bevolking een opleiding op het niveau van hbo dan wel universiteit zou moeten hebben gevolgd.

Dit alles moest wel gevolgen hebben voor het algemene niveau van de opleiding. Daarom zijn er tegenwoordig voor de toegang tot de advocatuur en tot de rechterlijke macht postacademische leergangen ingesteld. In 2012 is men aan de Erasmus School of Law overgegaan op een nieuw onderwijssysteem, waarin de zelfwerkzaamheid van de student vooropstaat. In dit zogenaamde Erasmus Law College (ELC) moeten studenten zelf door ‘probleemgestuurd leren’ op zoek naar kennis. De belangrijkste onderwijsbijeenkomsten staan onder leiding van een tutor en via een vast patroon worden door de wetenschappelijke staf opgestelde problemen uit een vakgebied behandeld. Hoorcolleges hebben een ondersteunende functie. Een belangrijke rol is ook weggelegd voor het aanleren van juridische vaardigheden, die worden geoefend in practica. Voor deze omslag in het onderwijs hebben in het bijzonder de Law School van York University in het Verenigd Koninkrijk en de opleiding Psychologie van de EUR model gestaan. Het doel van deze onderwijsinnovatie is niet alleen een betere motivatie van de studenten en een broodnodige vermeerdering van de tijd die zij aan hun studie besteden, maar daardoor vooral ook verhoging van het rendement van de opleiding, een van de belangrijkste externe succesindicatoren van opleidingen in universitair verband. In die lijn liggen dan ook de prestatieafspraken die de Vereniging van Nederlandse Universiteiten maakt met het Ministerie van Onderwijs. Deze afspraken laten zich ook op facultair niveau zeer sterk gevoelen.

In het onderzoek vindt al jaren een stroomlijning plaats in die zin, dat het wordt toegespitst op een beperkt aantal thema’s, waarvoor ook in het bijzonder de onderzoeksmiddelen worden aangewend. Anderzijds wordt eenmaal in de twee jaar het onderzoek van individuele leden van de wetenschappelijke staf getoetst, waarbij de maatstaf is dat per jaar tenminste drie wetenschappelijke artikelen het licht zien. Dit is de al genoemde Sanderskwalificatie.

In vijftig jaar veel veranderd

Al met al zijn er derhalve in de afgelopen vijftig jaar in de Rotterdamse rechtenfaculteit enorme veranderingen opgetreden. De faculteit begon als een juridische leeromgeving waar meer dan in traditionele faculteiten de dialoog op gang zou moeten komen met de maatschappijwetenschappen zoals economie en sociologie. In die eerste tijd, tot 1970, heersten nog de verhoudingen zoals die in de 19e eeuw gegroeid waren, naar het voorbeeld van de Berlijnse Humboldt Universiteit.

Hoogleraren hadden gezamenlijk zeggenschap en vergaderden in de Senaat. Wetenschappelijk personeel was nog nauwelijks aangesteld en de studentenaantallen waren vanuit huidig gezichtspunt buitengewoon laag. Studeren was een elitaire aangelegenheid en van meer dan een zeer bescheiden beurzenstelsel was geen sprake. Daarna kwam de periode van ‘1968’ met toenemende inspraak van studenten en een enorme uitbreiding van hun aantal. In diezelfde tijd werden, ook in Rotterdam, vele wetenschappelijk medewerkers aangesteld, die een ambtenarenstatuut kregen en daarmee een grote mate van rechtsbescherming genoten.

Na de Wet-Veringa (de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming, de WUB) van 1970 was het uit met de almacht van hoogleraren. De macht in de faculteit werd uitgeoefend door een in Rotterdam paritair samengestelde Faculteitsraad en iedereen kon in de vergaderingen van die raad gehoord worden. Daarnaast stonden de vakgroepen met een eigen juridische regeling. Zo werden op uitdrukkelijke wens van de studenten bijvoorbeeld normen ingevoerd voor de studiebelasting van vakken.

De studieadviseurs, oorspronkelijk bedoeld om het studietempo van bursalen te bewaken, kregen meer taken en er kwam veel meer ondersteunend personeel in een facultair bureau. In de jaren tachtig trad al een kentering op. In 1980 werd het studieprogramma aan alle faculteiten, behalve de medische, in beginsel beperkt tot vier jaar. Dit was een vooraankondiging van regulering en een poging de alsmaar duurdere bekostiging van de universiteiten te beheersen. Midden in deze tijd vol veranderingen en vooral schaalvergroting herdacht men in 1988 het 25-jarig bestaan van de faculteit.

In de loop van de jaren negentig is de faculteit, mede door de steeds toenemende externe controle en het afschaffen van de wellicht hier en daar wat doorgeschoten universitaire democratie, meer op een traditionele juridische faculteit gaan lijken, waar het hoofdaccent ligt op juridische kernvakken. Zo wordt, net als aan andere juridische faculteiten, veel meer aandacht dan vroeger besteed aan het Europese recht in al zijn facetten. Niettemin zijn er nog steeds Rotterdamse accenten in onderwijs en onderzoek zichtbaar, die in de volgende hoofdstukken nader worden besproken. Zo is ook de zelfstandige kritische en kreatieve (ZKK)-jurist die in de jaren zeventig model stond in de opleiding, nog steeds op de achtergrond als ideaaltype aanwezig.

Het nieuwe probleemgestuurde onderwijs probeert die zelfstandige kritische en creatieve student op haar/zijn verantwoordelijkheid aan te spreken en heeft de bedoeling de studenten te enthousiasmeren.

De huidige opleiding

Wie nu spreekt over de Rotterdamse juridische opleiding denkt aan de zeer succesvolle wereldwijd erkende initiatieven op het gebied van het onderwijs en onderzoek in de rechtseconomie, aan de kritische, dwarse, maar zeer waardevolle en originele privaatrechtelijke geschriften van Jan van Dunné, die langer dan wie ook daar hoogleraar was, aan het abolitionisme van Hulsman in het verleden, aan de nieuwe opleiding Criminologie en aan de impulsen die van verschillende facultaire werkeenheden (privaatrecht en strafrecht, sociale wetenschappen) zijn uitgegaan op het gebied van de rechtspsychologie. Iets van de oorspronkelijke sociaal- wetenschappelijke oriëntatie van het juridisch onderzoek is ook nu nog zichtbaar in het geactualiseerde privaatrechtelijke en strafrechtelijke onderzoekprogramma.

Rotterdamse alumni zijn nu veel meer dan vroeger te vinden in de traditionele juridische beroepen als rechter en advocaat. Zo zijn er bij het parket van de Hoge Raad twee Advocaten-Generaal die in Rotterdam gestudeerd hebben. De vijftig jaar oude faculteit bestaat medio 2013 uit 48 gewone dan wel deeltijdse hoogleraren, 21 bijzondere hoogleraren, achttien UHD’s en 38 UD’s. Daarnaast zijn er 47 promovendi en bestaat het ondersteunend en beheerspersoneel uit 64,6 fte.

De universiteit van nu kent weinig rust: de organisatie moet steeds zijn voorbereid op beleidsveranderingen die op verschillend niveau (Europa, Ministerie van OC&W, de universiteit en de faculteit) kunnen worden geïnitieerd. De ESL van nu is op die mogelijke veranderingen voorbereid. Laat haar ook in de komende vijftig jaar een belangrijke rol spelen in de juridische universitaire opleidingen in Nederland!

Du choc des opinions jaillit la vérité: de schok is vijftig jaar na de oprichting wel voorbij. Nu de waarheid nog.”